Europese overzeese expansie
Populair in Europese overzeese expansie
Kleine verstilde roman beeldt het conflict uit tussen twee manieren van leven die niet samengaan. Aan de ene kant staat de ingenieur van de suikerfabriek, Willem Bake, een aardige hardwerkende Europeaan die vooral naar de toekomst kijkt en die vooruit wil komen in de wereld. Aan de andere kant staat Si-Bengkok, een mismaakte Javaanse jongen die mensen en dieren betovert met zijn fluitspel. Hij herinnert Bake aan iets dat hij diep in zijn hart wel weet, maar dat in zijn hardwerkende bestaan steeds meer op de achtergrond raakt: dat hij door in de toekomst te leven onherroepelijk iets kwijtraakt wat voor geen geld te koop is. De twee sluiten een noodlottige vriendschap. Het verhaal speelt zich af in de tijd van het Nederlands koloniaal bestuur, tegen het prachtige decor van oud-Java. Het boek is ook te lezen als een politieke roman die op een genuanceerde manier het Nederlands kolonialisme veroordeelt. Orpheus in de dessa geldt als een van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur.
In juni 1946 meldt Piet Hidskes zich als vrijwilliger bij het Depot Speciale Troepen, het elitekorps van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Onder commando van kapitein Westerling krijgt dit korps carte blanche om de opstand in Indonesië neer te slaan. Na zes maanden training wordt Hidskes ingezet op Zuid-Celebes in wat later ‘de Zuid-Celebes-affaire’ zal heten. Wat hier precies is voorgevallen vertelt Hidskes aan niemand, wie zou hem geloven? Als hij in 1992 overlijdt, neemt hij zijn verhaal mee in zijn graf. Maarten Hidskes besluit de rol van zijn vader tot op de bodem uit te zoeken. Hij wint het vertrouwen van enkele oud-commando’s uit de groep van zijn vader, onderwerpt diens brieven uit Indië aan een nauwkeurige analyse en bestudeert inlichtingenrapporten over de terreur op Celebes. Op aangrijpende wijze weet hij het oorlogsverleden van zijn vader te reconstrueren en merkt hoe confronterend dat ook voor hemzelf is.
‘Daer can in Indiën wat groots verricht worden.’ Deze woorden van Jan Pieterszoon Coen prijken in gouden letters boven de deur die toegang geeft tot de Regentenkamer in het gebouw van de Tweede Kamer. Nog steeds wordt Coen, die verantwoordelijk was voor de genocide op de Bandanezen, vereerd als grondlegger van een koloniaal rijk. Vóór de komst van de Europeanen vormde Banda het centrum van een goed functionerend handelsnetwerk in nootmuskaat en foelie. Daaraan kwam abrupt een einde toen Nederlandse schepen in 1599 de kleine archipel bereikten. De Nederlanders dwongen de Bandanezen de handel met andere volken te staken en uitsluitend aan de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) te leveren. Natuurlijk verzetten de eilandbewoners zich tegen deze absurde eis, waarop het VOC-bestuur besloot om hen met geweld van hun land te verdrijven en er een plantagekolonie te stichten. Coens brute optreden uit 1621 was het sluitstuk van een reeks geweldsdaden waarbij de Bandanese bevolking werd verjaagd, vermoord en tot slaaf gemaakt. In Banda laat Marjolein van Pagee zien hoe dit alles zich verhoudt tot de VOC als bezettingsmacht en het koloniale onderdrukkingssysteem dat hieruit voortkwam. Van Pagee plaatst de genocide in de grotere context van de ‘vaderlandse geschiedenis’ en dus het ontstaan van Nederland als natiestaat.
Veel Nederlanders hebben een persoonlijke band met Indonesië. Maar paradoxaal genoeg lijken de herinneringen aan het verleden dat Indonesië en Nederland delen in relatief korte tijd uit het collectieve geheugen te zijn gewist. Tegelijkertijd is er een nieuwe nieuwsgierigheid naar de kolonie Nederlands-Indië ontstaan en houdt het gedeelde verleden de gemoederen in beide landen bij tijd en wijle flink bezig. Maar de geschiedenis leeft ook letterlijk, althans nog even. Een inmiddels slinkende groep mensen kan nog altijd vertellen van de geuren, de smaken, de kleuren en de mensen van de archipel. Maar ook van een samenleving die geregeerd werd door ijzeren hiërarchie, vastgelegd in de wet, bepaald door huidskleur: hoe witter des te meer kansen. Die hele koloniale spekkoek werd in 1942 vermorzeld door de Japanners. Velen ondergingen bovendien na 1945 de furie van Indonesische jongeren tijdens de Bersiap. Anderen kwamen in actie bij het laatste bloedige hoofdstuk van deze historie: de poging van Nederland om de verloren kolonie te heroveren. Frank Vermeulen sprak de afgelopen drie jaar voor NRC Handelsblad met de laatste ooggetuigen. Dit zijn hun verhalen, nu voluit verteld.
Op basis van een van de grootste Haagse brievencollecties reconstrueerde Jasmijn Derckx de geschiedenis van de familie Van Ravenswaaij. De focus ligt hierbij op Theodoor, telg uit de derde generatie van deze internationale familie. Het bewogen leven van de arts Theodoor van Ravenswaaij en zijn familie speelt zich af in de periode van 1888 tot 1961 in Nederland, Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten en op Java en Sumatra. Gelukkige momenten wisselen af met tragische gebeurtenissen als oorlog, verlies, vervolging, hongersnood en ontheemding. Door het schrijven van meer dan vierduizend brieven bleef de familie nauw met elkaar verbonden. In 'Theodoor' komen hun levenslijnen weer samen.
In de geschiedschrijving van Amsterdam is tot nu toe weinig geschreven over de periode waarin de stad en haar bestuurders zich intensief met slavernij en slavenhandel hebben beziggehouden. Vanaf de oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621 en de Sociëteit van Suriname in 1683 waren Amsterdamse bestuurders echter nauw betrokken bij de transatlantische slavenhandel. Zij waren weliswaar bestuurders op afstand maar profiteerden toch op verschillende manieren van deze handel in mensen. Ze werden ook nauwkeurig op de hoogte gehouden van het vervoer van de gevangen genomen Afrikanen naar de plantages in Amerika. Zij wisten welke mensonterende omstandigheden er in de koloniën heersten en de meedogenloze manier waarop de slaven werden onderdrukt en mishandeld. Aangetoond wordt dat er, anders dan vaak wordt verondersteld, al in de zeventiende eeuw zowel vrije zwarten uit West-Afrika alsook slaven uit die gebieden in Amsterdam verbleven. Ook wordt ingegaan op het feit, dat de slavernij van West-Afrikanen in Europa, vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw in Portugal begon. Een belangrijk gegeven in de transatlantische slavenhandel was ook, dat de slaven altijd zwarte mensen uit West-Afrika waren. Men probeerde vaak door middel van Bijbelse en andere argumenten de slavernij van zwarte mensen te rechtvaardigen.
Rond de Kaap vertelt het verhaal van het gevecht van één man tegen de machtigste multinational van de zeventiende eeuw: de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Na de scheiding van de Nederlanden door de Tachtigjarige Oorlog was Isaac le Maire een van de honderden calvinistische, kapitaalkrachtige Antwerpse kooplui die einde zestiende eeuw in Amsterdam neerstreken. Daar werd hij een van de pioniers van de VOC. Maar zijn individualistische en tegendraadse karakter bracht hem onvermijdelijk op ramkoers met het staatsmonopolie van de VOC. Uiteindelijk zouden hij en zijn zoon de doorgang ontdekken tussen de Atlantische en Stille Oceaan langs de mythische Kaap Hoorn. Tom Dieusaert deed historisch onderzoek en volgde het spoor van deze fascinerende figuur van Antwerpen, Egmond, Den Helder en Amsterdam tot in Patagonië en Kaap Hoorn.
In 'Zoutrif' gaat Miriam Sluis op zoek naar de achtergronden van de Curaçaose mentaliteit, die door de industrialisatie en globalisering van de twintigste en eenentwintigste eeuw, maar nog veel sterker door het slavernijverleden en de kolonisatie beïnvloed lijkt. In zowel de hedendaagse omgangsvormen als in de constructie van het zelfbeeld van de eilandbewoners gelden ogenschijnlijk nog altijd de wetten van de shon (plantage-eigenaar).Miriam Sluis neemt ons mee in 400 jaar geschiedenis. Op de plantage Rif Sint Marie geeft zij de diverse hoofdrolspelers een stem; de eigenaar, de veldslaaf en zelfs de rotspunt El Indjan, die uitkijkt op het gebied. De plantage heeft in de loop der tijd verschillende eigenaren gehad en produceerde onder meer indigo (voor textielverf), maïs en zout. Na de emancipatie verdienden veel plantagebewoonsters de kost met het vlechten van panamahoeden. Door de komst van een olieraffinaderij liep de plantage langzaam leeg. Aan de hand van vele archiefstukken, interviews met nazaten en eigen speurtochten op de velden reconstrueert Sluis het verleden van een plantage. Door middel van een persoonlijke benadering geeft ze een soms schrijnend beeld van de invloeden op de hedendaagse samenleving op het eiland. Ze trekt daarbij alle literaire registers open waardoor je wordt meegezogen in het lief en leed van de eilandbewoners. Haar verhaal pakt je bij je nekvel en houdt pas op bij de dag van vandaag, nu er op de plek een toeristisch resort is gebouwd. Het merendeel van de koloniale geschiedenis is niet voornaam, het is niet deftig. Wat op Rif is gebeurd is veel groter, universeler ook. Een verhaal van onderdrukking en geloochende schaamte, dat is niet alleen een Curaçaos verhaal. Miriam Sluis Auteur Miriam Sluis is correspondent voor NRC handelsblad/NRC Next en de NOS op de Antillen. Ze schreef eerder 'De Antillen bestaan niet. De nadagen van een fictief land' (Uitgeverij Bert Bakker).
Mathieu Zana Etambla
Veroverd. Bezet. Gekoloniseerd. Congo 1876-1914
Noodzakelijk boek over de geschiedenis van Congo dat iedereen moet lezen voor wie wil weten hoe het er echt aan toeging tijdens de vroege kolonisatie van Congo. Is over de geschiedenis van de kolonisatie van Congo al niet alles gezegd en geschreven? Neen, zegt Zana Etambala. Veel dagboeken, brieven en andere documenten liggen te wachten op onderzoek. Hij dook zelf jarenlang in archieven en vond voor dit boek verrassend nieuw materiaal. Hij komt tot het besluit dat dé kolonisatie telkens anders verliep en de kolonisator zijn tactieken aanpaste naargelang de omstandigheden. In vijf verhalen schetst Etambala hoe Leopold II op verschillende tijdstippen andere methodes hanteerde om zijn doel te bereiken. Sleutelwoorden zijn geldgewin, nietsontziend machtsmisbruik en buitensporig geweld. Zo kon de Compagnie du Kasaï in het Kuba-rijk probleemloos het rubber van de streek exploiteren. De katholieke missies lieten zich zonder moeite door deze concessiemaatschappij betalen. Ondanks de beperkte weerstand van de inheemse bevolking in de Evenaarstreek leidden de verplichte rubbertaksen er tot onbeschrijfelijke wreedheden. Het Mai Ndombe-meer, vroeger het Leopold II-meer, werd vanaf 1895 geëxploiteerd als een deel van het Kroondomein. Ook hier heerste een waar schrikbewind. Zana Mathieu Etambala werd geboren in Congo en woont sinds 1962 in Vlaanderen. Hij is doctor in de geschiedenis. Hij doet voltijd historisch onderzoek in de Sectie Geschiedenis Hedendaagse Tijd van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren.
Nieuw in Europese overzeese expansie
Karel van der Heijden (1826-1900) was de eerste militair en civiel gouverneur van Atjeh. Een selfmade militair, die het schopte tot luitenant-generaal van het Oost-Indische Leger (KNIL). Zijn bevorderingen en onderscheidingen verdiende hij vooral met controversiële militaire expedities in de Oost. Na een hard en meedogenloos optreden werd hij beschouwd als de overwinnaar van de Atjeh-oorlog. Van der Heijden ontving Militaire Willems-Ordes en kreeg van de koning verschillende onderscheidingen. Een uitgeschoten oog gaf hem het aureool van gewonde held, en de bijnaam ‘generaal Eenoog’. In Nederland verzette hij zich tegen de beschuldigingen van wreedheden die hij te Atjeh zou hebben begaan. De discussies groeiden uit tot een nationale rel, pro en contra de generaal. In deze biografie duikt Van de Loo in het complexe en gelaagde Nederlandse koloniale verleden en reconstrueert ze het leven van de controversiële Karel van der Heijden.
De roep om de herschrijving van de Surinaamse geschiedenis is de laatste jaren steeds sterker geworden met de erkenning van slavernij en kolonialisme als een misdaad tegen de menselijkheid. In 1934 publiceerde Anton de Kom een eerste herschrijving van de geschiedenis van Suriname. Die is later teniet gedaan door het werk van prof. Rudolf van Lier, die de basis is geworden voor de koloniale geschiedschrijving van Suriname. In 1982 is Sandew Hira in de voetsporen getreden van Anton de Kom met de eerste editie van dit boek, die een poging was om de geschiedenis van Suriname te herschrijven. Hira hanteerde toen een Marxistisch raamwerk. Vier decennia later heeft hij zich ontwikkeld tot een dekoloniale theoreticus van Decolonizing The Mind (DTM). Deze editie is behoorlijke veranderd in haar theoretisch raamwerk. Hira legt de principes van DTM uit en de toepassing daarvan op de Surinaamse geschiedenis. Daarna behandelt hij de geschiedenis van het verzet tegen het kolonialisme in de periode 1630-1940.
Suzanne Liem
Echo van de Strijd om Indonesië
In de eerste helft van de vorige eeuw maakten miljoenen Indonesiërs en talloze Nederlanders, Indische Nederlanders, Molukkers, Papoea’s en Chinezen de turbulente onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië mee. In 2025 is het precies tachtig jaar geleden dat de onafhankelijkheid van Indonesië werd geproclameerd. Deze geschiedenis houdt ons nog altijd, en misschien wel meer dan ooit, bezig. Documentair fotograaf Suzanne Liem laat in 'Echo van de Strijd om Indonesië' zowel Indonesiërs als Nederlanders aan het woord over de dekolonisatie van Indonesië. Voor dit grootse fotoproject ging Suzanne in gesprek met kinderen en kleinkinderen van (groot)ouders die tijdens deze strijd een spraakmakende rol speelden, zoals de nakomelingen van Sukarno en Hatta aan Indonesische kant en Spoor en Van Mook aan Nederlandse zijde. Portretten, sequenties, citaten en interviews bieden een unieke blik op de strijd om Indonesië en wekken deze geschiedenis tachtig jaar later op indrukwekkende wijze tot leven. In de persoonlijke verhalen van de nazaten komt de geschiedenis heel dichtbij. In 2024 toonde Museum Bronbeek in Arnhem een aantal verhalen uit dit project. Enkele reacties hierop: “Suzanne Liem is er weer in geslaagd om onuitgesproken woorden om te zetten in betekenisvolle foto's en verhalen.” Ambassadeur van Indonesië in Nederland de heer H.E. Mayerfas “Stuk voor stuk zijn het respectvolle en liefdevolle portretten geworden, van de rol die Indonesische en Nederlandse ouders en grootouders in die pijnlijke, complexe en voor zeer velen van ons, allesbepalende geschiedenis hebben gespeeld.” Commandant Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum Bronbeek, kolonel G.A.M.M. van Kuijck. “Terima kasih sudah menyajikan sejarah Indonesia dari perspektif yang berbeda.” (Bedankt voor het presenteren van de geschiedenis van Indonesië vanuit een ander perspectief) KRS (bezoeker van de tentoonstelling) In 2024 toonde Museum Bronbeek in Arnhem een aantal verhalen uit dit project. Enkele reacties hierop: “Suzanne Liem is er weer in geslaagd om onuitgesproken woorden om te zetten in betekenisvolle foto's en verhalen.” Ambassadeur van Indonesië in Nederland de heer H.E. Mayerfas “Stuk voor stuk zijn het respectvolle en liefdevolle portretten geworden, van de rol die Indonesische en Nederlandse ouders en grootouders in die pijnlijke, complexe en voor zeer velen van ons, allesbepalende geschiedenis hebben gespeeld.” Commandant Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum Bronbeek, kolonel G.A.M.M. van Kuijck. “Terima kasih sudah menyajikan sejarah Indonesia dari perspektif yang berbeda.” (Bedankt voor het presenteren van de geschiedenis van Indonesië vanuit een ander perspectief) KRS (bezoeker van de tentoonstelling)
Nio Joe Lan, Maya Sutedja-Liem
In Japanse gevangenschap
Met voorwoord van Patricia Tjiook-Liem, voorzitter van de Stichting Chinese Indonesian Heritage Center (CIHC). De bekende Chinees-Indonesische schrijver en journalist Nio Joe Lan werd in april 1942 door de Japanse bezetter opgepakt in het toenmalige Nederlands-Indië. Samen met meer dan vijfhonderd andere Chinezen bracht hij de gehele bezettingsperiode door in drie interneringskampen op Java: Bukit Duri, Serang en Cimahi. Chinezen werden door de Japanners gewantrouwd vanwege hun mogelijke banden met het koloniale bestuur en hun sympathie en steun aan China, waar Japan toentertijd mee in oorlog was. Over zijn drieënhalfjarige internering deed Nio Joe Lan in 1946 gedetailleerd verslag in zijn boek 'Dalem tawanan Djepang' ('In Japanse gevangenschap'). Voor het eerst sinds het einde van de Japanse bezetting, tachtig jaar geleden, kunnen wij in het Nederlands kennisnemen van het leven in Japanse kampen vanuit Chinees perspectief.
Jan Jacob Bertold werd in 1798 op het Amsterdamse eiland Kattenburg geboren. Hij hield van avontuur en koos voor de zee. Als tweede stuurman maakte hij reizen naar de Oostzee, Frankrijk, Suriname en Nederlands Oost- Indië. Daarna vestigde hij zich als winkelier in tabak, thee en koffie, en later als tabaksfabrikant, in Amsterdam. In 1854 legde hij zijn herinneringen aan zijn laatste reis vast. Het is een boeiend, eerlijk en droogkomisch verhaal. De 45 aquarellen die hij opnam, vormen een mooi beeldverhaal. Bertolds reisverhaal is een belangrijke bron voor de kennis van de vroeg-negentiende-eeuwse geschiedenis van de Nederlandse vaart op Indië.
Halverwege de negentiende eeuw streek een groep idealistische protestantse zendingsechtparen neer in Nieuw-Guinea. Hier – aan een kust van eilandjes, mangrovebossen en tropische wouden – probeerden zij lokale Papoeavolkeren te beschaven en te bekeren. Ze begonnen huizen te bouwen, met gordijntjes voor de ramen, bijbelplaten aan de muur en een orgeltje om bij te zingen. Daar kwamen de Papoeakinderen terecht, die uit (lokale) slavernij werden gekocht en heropgevoed. Huishouden in Nieuw-Guinea vertrekt vanuit de vragen die deze kinderen oproepen. Het belicht de vele facetten van dit koloniale her opvoedingsproject – van naaikransjes tot tabaksplantages, schedelmeting tot collectebus, handel in paradijsvogels tot huwelijkspolitiek. Tegelijkertijd brandt de vraag, hoe Papoea’s op de ‘goede bedoelingen’ van deze witte vreemdelingen reageerden. Waar mogelijk krabt dit boek de vrome laklaag van de zendingsbronnen af om de stemmen en perspectieven van Papoea’s te ontwaren. Eén ding staat vast: Papoea’s lieten zich niet zomaar huishouden.
Ben Ipenburg
‘Een knecht der knechten sy hy syne broederen’
Inleiding 1. Slavernij en het actuele debat 2. Kerkelijke zelfreflectie 3. Slavernij en christendom in de historiografie 4. Postkoloniaal denken en christendom en slavernij 5. Slavernijonderzoek en de tijdgeest 6. De onderzoeksvraag en de primaire en secundaire bronnen 7. De weg van het onderzoek: van orthodoxie naar orthopraxis Introductie: historiografische context 1.1 Politiek-maatschappelijke context van de Republiek der Verenigde Nederlanden 1.2 Interstatelijk geweld in Europa en daarbuiten 1.3 Intrastatelijk geweld 1.4 Politiek-religieus geweld 1.5 Strijd om de macht tussen kerk en staat 1.6 Tussentijdse conclusie: geweld en de Republiek 2 De gereformeerde religie in de Republiek 2.1 De gereformeerde religie en kolonialisme en slavernij 2.2 De gereformeerde doctrines 2.3 Staat en kerk 2.4 Een dood geloof? Kritiek op de gereformeerde theologie 2.5 De praktijk van de godzaligheid: de terugkeer van de werken 2.6 De praktijk van de godzaligheid: morele handleidingen voor zeelui 2.7 Neerlandts Israël: een door God gekozen land 2.8 Conclusie: het verschil als denkmethode 3 Verlichte denkers en de gereformeerde theologie 3.1 Rede en geloof 3.2 Descartes en Spinoza over slavernij 3.3 Coccejanen en cartesi-coccejanen 3.4 Conclusie: de emancipatie van het West-Europese zelf 4 Slavernij en gereformeerde theologie 4.1 Uniek debat in Spanje over de onderwerping van volken 4.2 Slavernij in de Europese zeeroverspraktijken 4.3 ‘Faith-slavery’ en ‘race-slavery’ 4.4. Slavernij als theologische metafoor 4.5. Slaaf van de zonde 4.6. De zeemansvademecums en de geestelijke en lichamelijke slavernij 4.7 De roeping van de ‘heidenen’ tot het christelijk geloof 4.8. De zendingstheologieën van twee orthodoxe hoogleraren 4.9 Zending: een exclusief theologisch thema 4.10 Conclusie: theologische theorieën zonder morele reflectie 5 Rechtsgeleerde onderbouwing van de koloniale ideologie en de gereformeerde theologie 5.1 Het recht van volken 5.2. Hugo de Groot en de gereformeerde theologie 5.3 Hugo de Groot als ‘ideologue of empire’ 5.4 Hugo de Groot en de slavernij 5.5 Andere 17e en 18e eeuwse rechtsgeleerden en de slavernij 5.6 De (juridische) praktijk in de Republiek ten aanzien van slaven 5.7. Gereformeerde theologen en het rechtsgeleerd denken 5.8. Achttiende-eeuwse orthodoxe stemmen over slavernij 5.9. De theologie van de overwinnaar 5.10 Eind achttiende-eeuwse debatten over christendom, zending en slavernij 5.11 Conclusie: theologische en juridische acceptatie van de slavernij 6 Slaventheologieën 6.0 Een ‘theo-logica’ met concrete gevolgen 6.1 De Cham-theologie en de ondergeschiktheid van de ‘Mooren’ 6.2 Waarom de nakomelingen van Cham slaven en zwart waren 6.3 Zeventiende- en achttiende-eeuwse gereformeerde theologen en de vloek van Cham 6.4. Anton Wilhelm Amo: voormalige kindslaaf en filosoof 6.5 Jacobus Elisa Johannes Capitein: voormalig kindslaaf en gereformeerd theoloog 6.6. Conclusie: slavernij en de vrijheid van denken 7 De gereformeerde religie en de slavernij in de Atlantische kolonies 7.0 Slavenhandel in de zestiende eeuw 7.1 Gereformeerde religie en de orthopraxis in de Atlantische kolonies 7.2 Instructies, Artikelsbrieven, Ordre van regieringe en de gereformeerde religie 7.3 De gereformeerde religie op het fort St. George d’Elmina 7.4 Nederlands-Brazilië, de gereformeerde religie en de slavernij 7.5 Willem Usselincx’ landbouwkolonies in Guyana zonder slavernij 7.6 Nieuw-Nederland, de gereformeerde religie en de slavernij 7.7 Suriname: een permanente slavenstaat 7.8 Curaçao, slavernij en de gereformeerde religie 7.9 Contextualiteit en de orthodox-gereformeerde religie 8 Synthese en conclusies 8.0 De waarde van het onderzoek 8.1 Discontinuïteit en continuïteit: veranderende denkkaders versus een aanhoudende praktijk van onderdrukking 8.2 Het actuele debat: postkoloniale theologie 8.3 Tot slot. Geloof en geweld Bijlage: Project of Plan om de bekeeringe der Heijdenen in Surinamen zonder veel swarigheden te beginnen Literatuur Primaire bronnen a. Oorspronkelijke uitgaven b. Kritische bronuitgaven/niet eigentijdse drukken/transcripties en vertalingen van bronnen c. Secundaire bronnen Samenvatting Summary
In 1816 werd Aegidius van Braam, geboren in Delft, door koning Willem I in de adelstand verheven. Sophie van Braam, de laatste adellijke telg uit de familie, was een gekleurde Indische vrouw die in 1939 in Jogjakarta stierf. De geschiedenis van de Van Braams en andere Indische adellijke families voert de lezer naar een wereld van kolonialisme, avontuur, rijkdom, maar ook van wreedheid, slavernij, racisme, de rol van huidskleur, verdriet en weemoed naar vroeger. Het is een verhaal over Indonesische vrouwen die soms wel en soms niet getrouwd waren met hun man, maar altijd een hoofdrol speelden in de familieverhalen.
Decennialang is in de media, in publicaties en op websites – zonder enige nuancering – gesproken over gewelddadige, ongedisciplineerde, gehersenspoelde en ongeorganiseerde Indonesische jongeren die na de Japanse capitulatie – onder de naam pemoeda – moordend en plunderend door Java trokken. Daarbij zouden tienduizenden doden zijn gevallen. Uit de reconstructie van de interneringen in en de evacuaties uit de zogenoemde republikeinse kampen blijkt dat lang niet alle pemoeda gewelddadig waren. ‘De andere kant van de bersiap’ is dat pemoeda in meerderheid reageerden op de oproep van Soekarno om alle bedreigde Nederlandse (en Ambonese en Menadonese) mannen en oudere jongens tussen 11 en 19 oktober 1945 in republikeinse kampen te interneren om bloedvergieten te voorkomen. Vrouwen en kinderen volgden vanaf eind oktober tot medio december. Bij de interneringen, de bewaking van de kampen en de evacuaties uit die kampen naar Brits/Nederlandse bruggenhoofden waren behalve lokale pemoeda, ook pemoeda van nationale organisaties als de republikeinse politie en het Indonesische leger betrokken naast lokale besturen en het Indonesische Rode Kruis. Het besluit tot interneren was een politiek/ humanitaire beslissing, waardoor ongeveer 56.000 Nederlandse burgers door afzondering in de kampen, buiten bereik bleven van moordlustige lieden. Daardoor hield – wat de Nederlanders betreft – het moorden op.
Cornelis Chastelein (1657-1714) stamde uit een Hollandse regentenfamilie die oorspronkelijk uit Dordrecht kwam, hij werd in Amsterdam geboren. Na het overlijden van zijn ouders vertrok hij als jongeman naar Indië. Daar maakte hij snel carrière in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en in Batavia ontwikkelde hij zich tot een eigenzinnig, visionair en gerespecteerd VOC-bestuurder. Chasteleins missie werd om Indië om te vormen van een wingewest tot een duurzame kolonie, waarin de lokale bevolking meer autonomie kreeg en lokale tradities meer werden gerespecteerd. Hij beschreef zijn ideeën over agrarische, sociale en bestuurlijke hervormingen in een aantal intrigerende manifesten. Bovendien bracht hij die ideeën ook daadwerkelijk in praktijk. In de destijds onontgonnen ommelanden van Batavia verwierf hij landerijen, waar hij zijn levenswerk tot stand bracht: het land Depok. Daar stichtte hij voor zijn christenslaven een autonome en zelfvoorzienende landbouwgemeenschap. Chasteleins testament is vrijwel volledig gewijd aan zijn erfenis aan zijn christenslaven. Zij verkregen hun vrijheid en werden gezamenlijk eigenaar van het land Depok, waarover zij bovendien zelfbestuur kregen. Daarmee werd de erfenis van Chastelein niet alleen een aanklacht tegen het VOC-beleid; het vormde ook een ongekend en uniek sociaal experiment. In 1714 verkregen de vrijgemaakte christenslaven landerijen om ‘ten eeuwige daage, offte voor altijt gemeen beseeten ende gebruyke [te] sullen werden’. Inmiddels is het geslacht Chastelein uitgestorven en is het land Depok opgegaan in de miljoenenstad Kota Depok, grenzend aan het huidige Jakarta. De gemeenschap van rechtstreekse nazaten van de vrijgemaakte christenslaven bestaat echter nog steeds in de oude historische kern van Kota Depok, al zijn veel van hen ook elders over de wereld verspreid geraakt. Hun erfenis omvat een veelzijdige geschiedenis van ruim drie eeuwen, die niet alleen hun sociaal-culturele identiteit heeft bepaald, maar ook een uniek licht werpt op de geschiedenis van dit deel van Indonesië en zijn bewoners.
Mathieu Zana Etambla
Veroverd. Bezet. Gekoloniseerd. Congo 1876-1914
Noodzakelijk boek over de geschiedenis van Congo dat iedereen moet lezen voor wie wil weten hoe het er echt aan toeging tijdens de vroege kolonisatie van Congo. Is over de geschiedenis van de kolonisatie van Congo al niet alles gezegd en geschreven? Neen, zegt Zana Etambala. Veel dagboeken, brieven en andere documenten liggen te wachten op onderzoek. Hij dook zelf jarenlang in archieven en vond voor dit boek verrassend nieuw materiaal. Hij komt tot het besluit dat dé kolonisatie telkens anders verliep en de kolonisator zijn tactieken aanpaste naargelang de omstandigheden. In vijf verhalen schetst Etambala hoe Leopold II op verschillende tijdstippen andere methodes hanteerde om zijn doel te bereiken. Sleutelwoorden zijn geldgewin, nietsontziend machtsmisbruik en buitensporig geweld. Zo kon de Compagnie du Kasaï in het Kuba-rijk probleemloos het rubber van de streek exploiteren. De katholieke missies lieten zich zonder moeite door deze concessiemaatschappij betalen. Ondanks de beperkte weerstand van de inheemse bevolking in de Evenaarstreek leidden de verplichte rubbertaksen er tot onbeschrijfelijke wreedheden. Het Mai Ndombe-meer, vroeger het Leopold II-meer, werd vanaf 1895 geëxploiteerd als een deel van het Kroondomein. Ook hier heerste een waar schrikbewind. Zana Mathieu Etambala werd geboren in Congo en woont sinds 1962 in Vlaanderen. Hij is doctor in de geschiedenis. Hij doet voltijd historisch onderzoek in de Sectie Geschiedenis Hedendaagse Tijd van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren.
Nederland en andere Europese landen zeggen bereid te zijn om roofkunst aan oud-koloniën terug te geven. Maar de daad bij het woord voegen blijkt lastig. In Het lege-vitrinesyndroom vertelt Jos van Beurden, deskundig in koloniale roofkunst, over drie grote obstakels bij teruggave van koloniaal bezit. Ondanks een veranderende houding beslissen Europese overheden nog altijd over het herkomstonderzoek naar de collecties en willen ze de zeggenschap erover nauwelijks afstaan aan hun oud-koloniën. Ook particuliere verzamelaars en kunsthandelaren opereren voorzichtig en houden zich angstvallig stil over hun objecten uit voormalige koloniën. Daar zitten geroofde stukken bij maar oud-koloniën hebben daar zelden weet van, laat staan dat zij weten hoe ze die kunnen claimen. En als eenmaal het besluit valt voorwerpen terug te brengen, dan doen zich vaak spanningen voor tussen regeringen enerzijds en lokale oud-eigenaren (etnische minderheden en oude vorstenhuizen) anderzijds. Wie is de rechtmatige eigenaar? Van Beurden laat zie hoe vandaag de dag met deze obstakels wordt omgegaan. Het lege-vitrinesyndroom helpt de discussie over restitutie van koloniaal erfgoed verder te brengen.
Henk Rinsum
Universiteit Utrecht en koloniale kennis
Henk van Rinsum geeft in zijn boek een diepgaande beschrijving van het koloniale verleden van de Universiteit Utrecht vanaf haar stichting in 1636. Hij beschrijft de ontwikkeling van (wetenschappelijke) kennis en kennisoverdracht over en in de Nederlandse kolonies, met name in Nederlands-Indië. De rode draad in zijn boek is het idee van Westerse superioriteit, de vooronderstelling dat Wij ‘ontwikkeld’ zijn en dus modern en de Ander in de kolonies ‘(nog) niet ontwikkeld’ en dus primitief of traditioneel. Dit koloniale verleden is ook het kader waarin de Universiteit Utrecht betrokken raakte bij slavernij en de afschaffing daarvan. Henk van Rinsum laat zien hoe de kennis verworven in de kolonie tevens heeft bijgedragen aan de wetenschapsontwikkeling aan de eigen universiteit. Zijn boek vormt daarom een belangrijke bijdrage aan zowel de koloniale als de intellectuele geschiedenis.
H.W. Beijerinck, Coen Veer
Het mooiste meisje aan boord
In Een foto vertelt vinden vijftig foto’s met verhalen een permanente plek. Daarin ligt een eeuw geschiedenis van Chinezen uit Indonesië besloten. De vooroorlogse periode laat deels een onbezorgde tijd zien, maar gaat ook in op gevoelige thema’s als het gemengde huwelijk en de raciale segregatie in de Nederlands- Indische maatschappij. Hachelijk situaties tijdens de Japanse bezetting worden met humor en incasseringsvermogen doorstaan. Na de oorlog treedt een kentering op. Door een gevoel van onveiligheid vertrekt men ‘voor de toekomst van de kinderen’ naar Nederland. Uit de verhalen spreekt opluchting, maar ergens knaagt de twijfel: ‘Wie ben ik eigenlijk?’ De derde generatie, de kleinkinderen van grootouders die in de jaren vijftig en zestig besloten Indonesië te verlaten, staat onbevangen tegenover de geschiedenis. Ze zijn nieuwgierig naar hun roots: Een foto vertelt neemt deze generatie mee naar hun Chinees-Indonesische verleden.
Tussen 1945 en 1968 maakten zo’n 300.000 mensen de oversteek van Indonesië naar Nederland. Wie ging er wanneer weg? Wat waren de redenen voor hun vertrek? Hoe verliep de reis? En de aankomst in Nederland? Met tientallen kaarten, grafieken en infographics laat de Atlas van de oversteek zien hoe deze beweging van mensen, in gang gezet door oorlog en dekolonisatie, eruitzag. De historische foto’s en persoonlijke verhalen geven de oversteek een gezicht. Met deze atlas brengt het Indisch Herinneringscentrum een belangrijk onderdeel van de Nederlandse koloniale geschiedenis in beeld die allesbepalend is geweest voor de familiegeschiedenis van iedereen met wortels in voormalig Nederlands-Indië en Indonesië.
Rond de Kaap vertelt het verhaal van het gevecht van één man tegen de machtigste multinational van de zeventiende eeuw: de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Na de scheiding van de Nederlanden door de Tachtigjarige Oorlog was Isaac le Maire een van de honderden calvinistische, kapitaalkrachtige Antwerpse kooplui die einde zestiende eeuw in Amsterdam neerstreken. Daar werd hij een van de pioniers van de VOC. Maar zijn individualistische en tegendraadse karakter bracht hem onvermijdelijk op ramkoers met het staatsmonopolie van de VOC. Uiteindelijk zouden hij en zijn zoon de doorgang ontdekken tussen de Atlantische en Stille Oceaan langs de mythische Kaap Hoorn. Tom Dieusaert deed historisch onderzoek en volgde het spoor van deze fascinerende figuur van Antwerpen, Egmond, Den Helder en Amsterdam tot in Patagonië en Kaap Hoorn.
Jaswina Elahi, Ruben Gowricharn
Ongezien, ongehoord
In de discussie over het koloniaal verleden van Nederland, gaat het vooral om de slavernij in het Caraïbisch gebied. Maar Suriname heeft na afschaffing van de slavernij ook een stelsel van contractarbeid gekend. Hier begon de geschiedenis van de grootste etnische groep van het land, de Hindostanen. In 1873 scheepten de eersten in Brits-Indië in op het schip Lalla Rookh. Hoewel over de Hindostanen enkele boeken zijn geschreven – veelal door Hindostanen zelf – heeft hun geschiedenis het Nederlands publiek nauwelijks bereikt. Jaswina Elahi en Ruben Gowricharn maken de verhouding tussen slavernij en contractarbeid inzichtelijk en staan stil bij de culturele erfenis van de Hindostanen, inclusief de herinneringen, het verdriet, de nostalgie, de feesten en de trots. Zij belichten de continuïteit tussen de gemeenschappen in India, Suriname en Nederland en laten zien hoe nieuwe generaties terugkijken op hun verleden. Ongezien, ongehoord is een onmisbare inleiding voor een ieder die geïnteresseerd is in de koloniale geschiedenis en de integratie van Hindostanen in Nederland. 'Dit boek vormt een onmisbare bijdrage aan het Nederlands debat over het (post)koloniale verleden.' – Sinan Çankaya, antropoloog en schrijver
Als Gerrit en Pieter begin 17e eeuw worden geronseld om te werken op een schip van de V.O.C. wordt hun leven op slag overhoop gegooid. De tweejarige reis naar de Oost loopt echter niet zoals gepland als de bemanning de tirannieke kapitein beu is en het schip overneemt. De steven wordt gewend naar onbekende kusten. Al snel doemt de vraag op of de nieuwe leiders wel zo veel beter zijn dan de afgezette kapitein. Ondertussen lopen de spanningen op tussen verschillende naties. Het zou zo maar kunnen dat een passerend schip een vijand blijkt te zijn in wateren die ook nog vergeven zijn van slavenhalers en piraten, terwijl de kusten wemelen van de vijandige inboorlingen. De twee jonge jongens proberen te overleven in het tumult en de spiraal van geweld waarin ze zijn terechtgekomen. Hun uiteindelijke doel om weer thuis te komen is verder weg dan ooit als de plannen van de nieuwe kapitein eindelijk duidelijk worden… Annika de Bie heeft eerder het succesvolle boek 'Het begint op het einde' geschreven, alsmede twee namenboeken voor aanstaande ouders. Schrijven is een van haar verschillende hobby's, waarvan ze zelf zegt: 'Iets van mijn creativiteit aan de lezer geven vervult mij met dankbaarheid'. Dit boek is tevens als luisterboek beschikbaar.
Vergeten?! De complexe en onderbelichte geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië en de nasleep daarvan lijken vergeten in ons collectieve geheugen. Onze overheid en ons Koningshuis zijn niet transparant over deze periode en onderzoeken geven reeds lang een vertekend of gekleurd beeld. Daardoor wordt duidelijk dat die geschiedenis bewust of onbewust een vergeten verbinding vertoont. Recente onderzoeken, debatten, discussies en zelfs excuses raken hen die het hebben overleefd – vanuit de nodige trauma’s – nog steeds. Tijdens de Nationale Herdenking bij het Indisch Monument in Den Haag riep MP Rutte op de verhalen over die tijd te blijven vertellen, er bij stil te staan en traumatische ervaringen aandacht te blijven geven. De adviescommissie Bussemaker concludeerde dat de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië een meer prominente en blijvende plek moet krijgen in het onderwijs, musea en openbare ruimte. In oktober 2023 werd De Grote Indonesië-tentoonstelling in De Nieuwe Kerk Amsterdam geopend. Deze geeft een uitgebreid beeld van de lange en veelbewogen geschiedenis van de Indische Archipel, waar Nederland een dominante rol in gespeeld heeft. Ook 'Vergeten verbinding – De Tweede Wereldoorlog' in Zuidoost-Azië komt tegemoet aan de behoefte om de complexe en indringende geschiedenis van Nederlands-Indië de prominente plek te geven die het verdient. Opdat die nimmer vergeten wordt! En hopelijk wordt dan duidelijk waarom de VOC-vlag op het schip De Amsterdam voor het Zeevaartmuseum te Amsterdam nog wappert… --- Léon Algra (1959) is geboren in de kraamkliniek van Huize Moedervreugd te Goirle en groeide op in Veldhoven/Eindhoven. Al vanaf zijn vroege jeugd bracht zijn vader hem in contact met de Indische en Molukse gemeenschappen in Nederland. Zo kreeg hij steeds meer inzicht in de cultuur, de gebruiken, de geschiedenis van Nederlands-Indië, de inzet van Nederlandse militairen en de leefomstandigheden van de lokale bevolking. Léon schrijft gedichten en boeken, waarin Nederlands-Indië een grote rol speelt.
Boeken over de Europese overzeese expansie